Zijne goddelijkheid,
Op het moment dat u deze brief leest, ben ik nog steeds onderweg naar het Oosten. Ik schrijf u deze brief om te melden dat ik mijn missie nog niet ben vergeten. Ik ben onzeker hoe lang deze missie zal duren voor mij. Niet alleen zal het een tijdje duren om de twee personen, Laurens Janszoon Koster en Johannes Gutenberg, te vinden, er zijn andere zaken op komst.
Ik heb gemerkt dat hoe verder ik in het Oosten kom, hoe meer ik besef dat er nog veel te verbeteren valt in dit grote gebied. Vooral wanneer ik verder trek naar plekken waar minderwaardige volkeren leven, die geen chinees-bloed hebben, merk ik dat er ontevredenheid heerst over Zijne goddelijkheid.
Ik zie het als een plicht, om de potentiële rebellen die een gevaar kunnen betekenen voor Zijne goddelijkheid en het machtige Chinese rijk, uit te schakelen. Vergeef mij mijn roekeloze besluit zonder aan u eerst te overleggen. Ik zal in het Oosten een tijdje vestigen op een centraal, strategisch gelegen punt om de missies en andere zaken te voltooien.
Hoogachtend,
Kai Sam Cheung
Wanneer Kai klaar is met de brief en verstuurd heeft (ze zeggen dat in het Oude China duiven gebruikt werden), gaat hij terug naar zijn verblijfplaats.
“Mijnheer, wilt u vanavond misschien wat mee-eten met ons?”, vraagt de man aan Kai.
“Alweer? Ik ben bang dat ik niet kan betalen en ik heb vandaag niet eens tijd gehad om u te helpen bij het hout hakken.”, Zegt Kai.
Nu Kai al ver in het Oosten zit en er veel andere volken zitten in plaats van Chinezen, heeft Kai besloten om zijn gouden plak en zijn status als elitepersoon van de keizer niet bekend te maken. De mensen zullen afvragen waarom Kai hier naar toe komt op een plek waar alleen maar andere volkeren leven dan de chinezen. Dit zal voor het missie van Kai geen goed doen. Kai heeft zijn dure kleding weggestopt en normale burgerkleding aangetrokken. Wel kan je aan hem zien dat hij een chinees is, met zijn Chinese uiterlijk en zijn Chinese zwaard als wapen.
De huiseigenaar dringt aan en Kai stemt toe om vanavond mee te eten. De eigenaar is een aardig en gastvrij persoon. Zijn zoon wilt graag het zwaard van Kai bekijken. Hij is gefascineerd door het wapen van Kai en wilt graag van Kai zwaardtechnieken leren. Kai leert het jongetje wat zwaardtechnieken en ziet dat het jongen moeite heeft met het zwaard te hanteren. Hij moet lachen wanneer hij het jongetje ziet. Het doet hem denken aan vroeger. Toen zijn oma voor het eerst een zwaard als speelgoed gaf.
“Kinderen krijgen speelgoed. Maar jij krijgt iets dat veel beter is, een voorwerp wat jouw succesvol maakt, wanneer je het goed hanteert.” Kan Kai nog de woorden herinneren.
“Ik zal blijven trainen om mijn familie te beschermen wanneer het nodig is! En wanneer ik goed kan vechten, zal ik iedereen die mij en mijn familie kwaad willen doen, 2 keer zo hard terugslaan.”, zegt het jongetje trots, uitgeput geeft hij het zwaard terug aan Kai.
“dat is de goede instelling. Vecht voor wat belangrijk voor je is. Vecht voor je eer en wat je dierbaar is.”, Zegt Kai.
“Zoon toch. Hoe vaak moet het je nog zeggen.” Zucht de eigenaar. Hij heeft blijkbaar alles gehoord. “Kwaad bestrijd je niet met kwaad. Kwaad bestrijd je door het goede te doen. Alleen dan kunnen we winnen van het kwaad, niet om zelf kwaad te zijn, maar juist om goed te zijn.”
Kai is verbaasd over deze opmerking. Hij heeft het nog nooit gehoord. Absurd denkt hij bij zichzelf, hoe kan hij dat nou zeggen? Is hij gek geworden? Wanneer iemand hun dus aanvalt, zou hij nog steeds dan goed blijven doen tegenover de aanvaller?
“Het eten is klaar!”, klinkt een luide stem, het is de eigenares. Kai loopt ook mee naar binnen om te eten.
Kai wordt wakker in de nacht door allerlei herrie. Hij ziet fakkels vanuit het raam. Gauw sluipt hij uit de logeerkamer van de eigenaar en geruisloos gaat hij naar buiten. De eigenaar is ook naar buiten gegaan, ziet Kai. Een groepje mensen, waaronder de eigenaar lopen het dorp uit. Geruisloos gaat Kai mee met hun, zonder gezien te worden. Eenmaal buiten het dorp, in de bossen, ziet Kai wat er aan de hand is. Een kleine Chinese gouverneur met een handvol soldaten worden zichtbaar. Ze maken kennelijk ruzie.
“Jullie zullen moeten knielen voor Zijne Goddelijkheid!”, brult de gouverneur toe, de eigenaar van Kai’s verblijfplaats komt naar voren.
“Wij knielen niet voor de keizer. Wij respecteren de keizer als keizer en heerser van het land over ons. Maar wij zullen hem geen aanbidding geven als GOD.”, Zegt de herbergeigenaar.
“jullie zijn hardleers! Jullie zullen buigen! Beseffen jullie niet wat Zijne goddelijkheid kan doen met jullie?”, lacht de gouverneur gemeen.
“Zelfs als de keizer hier komt, zullen wij hem niet aanbidden.”, zegt een andere man.
De gouverneur lacht gemeen. “Ok jullie hoeven niet te knielen voor Zijne Goddelijkheid. Kniel maar voor mij en geef mij bij elkaar 5000 goudstukken. Dan zal ik een goed woordje doen bij Zijne goddelijkheid. Ik zal zeggen dat jullie eer voor zijne goddelijkheid al bewezen is.”
“Dat zullen wij ook niet doen, omdat u ook geen gouverneur zijnde, ook geen GOD bent en niet de aanbidding van GOD verdiend.”. De gouverneur wordt rood wanneer hij dit hoort.
Kai heeft ook genoeg gehoord. Hij loopt naar voren.
“Dit heeft lang genoeg geduurd.”, Zegt hij rustig. De mensen kijken hem aan. De huiseigenaar kijkt Kai aan en zegt dat dit niet zijn zaken zijn, dat hij beter weg kan gaan om geen problemen te krijgen van de overheid, ook al is hij een chinees.
Kai laat hem het teken van de keizer zien: Het gouden plak wat door zijn goddelijkheid zelf gegeven heeft aan Kai. Vooral de gouverneur schrikt zich rot, maar even later lacht hij weer.
“Zo zie je maar! De eerste troepen zijn al gekomen!”, Zegt de gouverneur triomfantelijk “smeek om genade en geef zijne goddelijkheid de eer die hij verdiend.”
“Met jouw heb ik straks een appeltje te schillen.”, Zegt Kai streng en hij kijkt de gouverneur met zijn autoriteitsblik aan. De gouverneur voelt zich zeer ongemakkelijk, zijn benen trillen.
“En jullie”, Zegt Kai, hij kijkt ze aan met hetzelfde autoriteitsblik: “De laatste kans om zijne goddelijkheid de eer te geven die hij verdiend.”
Het blijft even stil. Uiteindelijk stapt de eigenaar van Kai’s logeerhuis naar voren.
“Ik kan helaas niet meewerken. De keizer is geen GOD. Ik kan wel voor hem knielen en doen alsof ik hem aanbidt, maar als ik diep in mijn hart hem niet erken als GOD. Wat heb ik of jij of de keizer daaraan? Dan ben ik hypocriet en schijnheilig tegenover de Persoon die echt GOD is.”, zegt hij rustig.
Kai zucht diep. Hij ziet dat de anderen knikken en als een blok achter de eigenaar staan.
“mijn respect heeft u.”, Zegt Kai “ik zal ervoor zorgen dat je familie niet zal verhongeren.”, zegt Kai rustig.
Kai pakt zijn zwaard en binnen een flits van een seconde zijn de vitale delen van de eigenaar geraakt en ligt hij op de grond. Zijn dood was snel. Voordat de anderen het merkten, heeft Kai met 1 zwaardbeweging al de kelen opgesneden van 3 personen die naast elkaar stonden. Sommigen begonnen te vluchten, sommigen begonnen in paniek te raken en sommigen proberen Kai tegen te houden. Maar niets hielp, Kai elimineert de burgers zonder moeite.
“Tja… dat krijg je er nou van als je de keizer niet gehoorzaamd.”, Lacht de gouverneur fijntjes. Gauw gaat hij naar Kai toe.
“Ow.. u bent vast een van de vertrouwenspersonen van zijne goddelijkheid. U gevechtskunsten zijn formidabel. Wat doet u toch bij deze minderwaardige mensen? Staat mij u toe om u een hemelse maaltijd en nachtrust te bezorgen.”, zegt de gouverneur.
“Zwijg! Zij hadden nog respect voor zijne goddelijkheid.”, en Kai wijst naar het groepje gestorven dorpelingen. “Maar jij. Jij bent nog erger dan hun. Jij, bent een schaamte voor ons volk! Zelfs deze niet-chinezen zijn nog respectvoller tegenover zijn goddelijkheid dan jij met je achterbakse truukjes!”, De blik van Kai zegt genoeg.
“Wachters bescherm mij!”, schreeuwt de gouverneur eruit en hij rent weg.
De 4 soldaten proberen Kai tegen te houden, zonder succes. Binnen enkele momenten heeft Kai het viertal gedood en is hij de gouverneur ingehaald.
“Nee! Spaar me!”, schreeuwt de gouverneur eruit.
“Voor de dorpelingen had ik nog respect, daarom gaf ik ze een snelle dood. Maar jij…”, Gaat Kai verder. Hij knijpt in de nek van de gouverneur, waardoor de gouverneur machteloos is. Hardhandig duwt Kai het hoofd van de gouverneur in 1 van de fakkels die de dorpelingen meenamen. Een schreeuw is duidelijk te horen, het schreeuwen duurde een tijdje voordat het afgelopen is.
Kai keert terug naar het huis van de eigenaar en hij gooit een grote hoeveelheid geld door het raam. Daarna pakt hij weer zijn paard en galoppeert hij verder. Hij denkt terug aan de zoon van de eigenaar. één familielid heeft hij niet kunnen beschermen….
