“Waard. Een kamer alsjeblieft.”, zegt Kai rustig en hij legt het geld neer. De herbergier ziet aan het gestalte van Kai dat het een hooggeplaatst persoon is. Gauw geeft hij hem het beste kamer die er is.
Kai ligt op zijn bed en is erg moe. Al weken lang zit hij naar het Oosten te reizen op zijn paard. Hij rust even uit en denkt aan zijn geheime missie die hij heeft gekregen van zijne goddelijkheid, keizer Kai Kaan IX. Eigenlijk is deze missie een eitje voor Kai. Slechts 2 personen, waarvan we niet eens weten of ze bekwaam zijn om zichzelf te verdedigen. Twee qwei lo’s, niet eens van chinees bloed. Soms vraagt Kai zich af waarom de keizer het groepje christenen niet meteen uitschakelt. Dat is toch veel gemakkelijker, waarom zou de keizer willen weten hoe zij het geheime kunst van het drukken willen aanpakken? Zijn vermoeidheid wordt sterker en valt in slaap.
na enkele harde geluiden wordt Kai wakker. Het is al ochtend, aan de zon te zien. Zijn maag knort als een gek, gisteravond was hij te moe om te eten en zijn proviand is sinds eergisteren op. Ook al is Kai getraind om bij barre omstandigheden te blijven overleven, het liefst wilt hij nu voedsel hebben. Hij gaat naar beneden en vraagt de waard om een goede maaltijd voor 2. Wanneer de waard vraagt waarom voor 2 terwijl hij alleen is, kijkt Kai hem aan met zijn indringende autoriteitsblik.
“Goed, een maaltijd voor 2.” en de waard snelt onmiddellijk weg. Kai blijft rustig zitten aan een tafeltje.
De rust wordt gauw verstoord. Niet lang daarna komen een groep ongewassen brute mensen de herberg binnen. Aan de wapens van de mensen te zien hebben ze mensen geplunderd en gemoord. Het bloed aan de wapens is nog vers. Kai irriteert zich aan het gedrag van deze bende, maar blijft rustig.
De waard schrikt zich dood wanneer hij het groepje ziet. Hij herkent ze nog, binnen de streken zijn ze hier bekend om hun beruchtheid, behalve het plunderen van mensen slachten ze vaak voor de lol mensen af.
“Wat….k-kan ik voor jullie doen?”, stamelt de waard wanneer hij het groepje ziet.
De bendeleden lachen keihard. De leider stapt naar voren.
“Zo, jij bent dapper zeg. Geef me al je bezittingen en de beste kamer die je hebt. Dan beslissen we wel of je mag blijven leven!”,zegt de leider gemeen.
“Dat zal niet gebeuren.”
“Wat! Wie heeft het lef om dat te zeggen!”, brult de leider en hij hoort dat de stem van achter komt, gauw draait hij zich om.
“de beste kamer is al bezet door mij, ik denk dat je nog even moet wachten.”, zegt Kai rustig.
De leider loopt naar Kai toe en kijkt hem dreigend aan. De andere bendeleden omsingelen de plaats waar Kai zit.
“deze mannetje hier ziet er rijk en arrogant uit. Je kleding vertelt me dat je niet van hier komt. Je hebt pech dat je ons tegenkomt.” Zegt de bendeleider met een luide stem. De anderen lachen mee.
“of jullie hebben pech dat jullie mij bent tegengekomen. “, zegt Kai rustig en hij laat zijn gouden plak zien, het symbool van de keizer. De bendeleden en de waard schrikken zich rot.
“Dat is het teken van de keizer!”, zegt een van de bendeleden.
“Maar dat kan niet! Alleen hooggeplaatste personen zoals generaals, gouveneurs, ministers hebben het teken van de keizers.”, zegt een andere bendeleider.
“Gauw! Kijk om je heen of er troepen zijn!”, Zegt de bendeleider. Hij beseft dat iemand met het teken van de keizer altijd legers en beschermelingen aanwezig zijn. Twee van de bendeleden gaan gauw naar buiten om te kijken, maar in de wijde omtrek is er geen mens te bekennen.
De bendeleider moet weer lachen.
“zo.. Meneertje is hooggeplaatst? Waar zijn je legers? Volgens mij is deze meneer een bedrieger!”, de bendeleider lacht luid en zijn leden lachen mee.
“misschien wel ja. Maar ik denk dat we wel wat voor elkaar kunnen betekenen.”, zegt Kai rustig.
“Fout, jij betekent voor ons wat.”, zegt de bendeleider : “Als jij al je bezittingen achterlaat en voor mij knielt om vergeving smeekt over die brutaliteit van de kamer, zal ik denken om je zielige leven toch te sparen, nadat wij je met plezier afgetuigd hebben."
“Dat zou niet verstandig zijn. Misschien ben ik dan zo toegetakeld dat ik niet de geheime schat kan vinden, die achterop deze gouden plak staat.”, zegt Kai rustig. De bendeleden kijken Kai aan. Zijn blik is zelfverzekerd.
“Waarom vertel je me dit?”, vraagt de bendeleider.
“ik moet realistisch zijn, ik zit hier alleen en jullie zitten hier met zijn 10-en. Ik moet overleven met de middelen die ik heb.”, zegt Kai.
“Heb je dat gehoord jongens! Eindelijk wordt hij verstandig!”, brult de bendeleider. Iedereen lacht, behalve Kai en de waard.
“Waard, ik denk dat we allemaal wel honger hebben. Kan je even naar buiten gaan om broodjes en koeken te maken voor 12 personen?”, zegt Kai en hij kijkt hem nogmaals aan met een blik van autoriteit. De waard wilt maar al te graag naar buiten gaan en is binnen enkele seconden weg.
“En waag het niet om te vluchten! Anders lusten we je rauw!”, roept een van de bendeleden hem na.
“Zo laten we nu ter sprake komen.”, zegt Kai verder tegen de bendeleden.
De waard zucht, eerst zo’n hooggeplaatst persoon die al redelijk lastig is. En nu komt hij oog in oog te staan met de beruchtste bendeleden van de streek. Hij vraagt zich af of hij dit zal overleven. De waard denkt met medelijden aan de hooggeplaatste persoon. De kans dat hij het zal overleven is klein. Deze bende staat bekend om zijn gewelddadigheid en onmenselijkheid. Hij is te naïef om te geloven dat hij met geld zijn leven kan kopen, denkt hij bij zichzelf. Nou ja, het belangrijkste is dat hijzelf het nu kan overleven.
“Zijn de broden en koeken klaar?”
De waard schrikt zich rot. Het is de hooggeplaatste persoon.
“B-bijna.”, Zegt hij stamelend.
“Ik zie het.”, zegt Kai en hij loopt naar het fornuis. De geur van broodjes en koeken die bereid zijn ruiken lekker. Kai pakt een broodje en stopt het in zijn mond.
“Ze zijn nu precies goed.”, Zegt Kai en hij begint de broden en koeken in te slaan in zijn proviandtas.
“euhm…. Moeten zij……”, begint de waard.
“volgens mij hebben ze geen honger meer.”, zegt Kai terug: “Ik zeg mijn kamer op, want ik heb weer haast.”
“Dat is begrijpelijk.”, zegt de waard.: “Maar… ik zal u een tip geven, vluchten is zinloos, deze bende is heer en meester over dit gebied. Ze zullen je zeker vinden en voor plezier afslachten. Er is geen kans om te ontsnappen.”
Kai draait om en kijkt de waard weer aan met zijn strenge autoriteitsblik. De waard weet niet waarom, maar hij voelt zijn knieën knikken. Kai loopt weg en de waard kijkt hem nog even na. Niet veel later keert hij met knikkende knieën terug naar de kamer waar de bendeleden zijn.
“AAAAHH!!”, is een grote kreet van de waard te horen en hij schrikt zo erg dat hij omver valt. Verbijstering is te lezen in zijn ogen. Op de tafel zijn de 10 koppen van de bendeleden te vinden. Het bloed van de koppen druipt via de tafel naar beneden. De lichamen zijn buiten de herberg terug te vinden. Er is een briefje met een buidel geld te zien bij de 10 koppen: de kosten voor hun kamers en hun laatste rustplaats van onze 10 vrienden .
Kai pakt zijn gouden plak uit zijn kledingstuk en kijkt ernaar. Hij begint te lachen wanneer hij weer terugdenkt aan het gesprek met de bendeleden. Hij heeft inderdaad geen leger tot zijn beschikking. Noch heeft hij een groot stuk land, net als een gouverneur, om over te heersen. Maar dat hoeft hij ook niet. Een grote leger moet georganiseerd worden. De troepen moeten eten en verzorgd worden. Hetzelfde geldt voor gouverneurschap, de mensen moeten verzorgd worden. Dat alles zal zijn aandacht verslappen om de keizer op zijn manier te dienen. Kai is trots met zijn huidige positie, de directe orders krijgen van zijne goddelijkheid zelf. Dat hij vanaf de mond van zijne goddelijkheid mag horen wat zijn opdracht is en de tevredenheid krijgen van zijne goddelijkheid zelf, wanneer zijn missie geslaagd is.
Kai heeft al zijn opdracht zelf uitgevoerd en daar zal ook geen veranderingen in komen in de toekomst, weet hij. Hij was uitgekozen door zijne goddelijkheid zelf, vanwege zijn loyaliteit, geruisloosheid en zijn bekwaamheid in gevechtskunsten. Kai is in staat om mensen zonder problemen geruisloos uit te schakelen.
Het paard van Kai galoppeert verder met hoge snelheid. De warme broodjes en koeken heeft Kai goed gedaan. Het is lang geleden dat hij een warme maaltijd heeft gegeten. Nu is er ook nog proviand voor deze komende dagen. Hij kan weer een tijd tegenaan zonder te stoppen bij een herberg.
